TREKSCHUITROUTES IN HET GRONINGERLAND

In de zeventiende eeuw werd energiek gegraven aan bestaande nieuwe vaarverbindingen in de Ommelanden. Door deze krachtontwikkeling en ondernemingszucht van de stad Groningen wilde het haar economische en handelsbelangen in de Ommelanden ontwikkelen.

Langs de oude en nieuwe vaarten werden ten gunste van het scheepvaartverkeer trekpaden aangelegd. 

  • In 1612 werd besloten tot het graven van een kanaal naar het oosten van de provincie. Hierdoor werden tevens de grote veengebieden ontsloten voor turfwinning. Het kanaal was een aansluiting op de reeds rond 1400 gegraven Schuitendiep van Roodehaan naar Groningen, die zorgde voor een aansluiting op de Hunze.

Het graven van een kanaal. (Foto: Drents Archief)

     Het gedeelte van het nieuwe kanaal vanaf Foxhol tot Zuidbroek werd van 1618 tot 1628 aangelegd. De naam voor deze kanaal was in eerste instantie eveneens Schuitendiep. Van 1634 tot 1636 is er verder gegraven naar Winschoten tot de Pekel A. Dit gedeelte van Zuidbroek naar Winschoten werd destijds Heerendiep genoemd.  Als laatste werd de omweg via het Foxholstermeer en de Drentse diep afgesneden door van Foxhol naar Waterhuizen het kanaal te verlengen.

     De naam Winschoterdiep is pas rond 1800 ontstaan.

  •   Van voor het jaar 1000 lag er al een waterverbinding tussen Groningen  en Delfzijl, de Delf. Met het Damsterdiep is in 1424 aangevangen met het gedeelte van Groningen naar Ten Post en heette Damster Vaert. Dit deel sluit aan op de kronkelende Delf daarna.
  • Tussen Groningen en Zoutkamp lag de gekanaliseerde Drentse Aa. De  Drentse Aa zal waarschijnlijk rond de 8e en 9e eeuw zodanig zijn verzand dat er voor een doorgaande scheepvaart moest worden ingegrepen. Dit vaarwater is de Reitdiep gaan heten.

Op deze hoofdverbindingen kwamen natuurlijk ook aansluitingen op reeds bestaande waterverbindingen. In Oost-Groningen valt te denken aan de Pekel A en de Westerwoldse A. Door de turfafgravingen werden vele nieuwe vaarverbindingen gemaakt voor de afvoer van het overtollig moeraswater en latere vaarwegen voor de afvoer van turf en aanvoer van stadsdrek naar de Veenkoloniën.

Naar het noorden richting Delfzijl werd in het Oost-Groningse in 1602 het Termunterzijldiep gegraven voor afwatering en later ook scheepvaartverbinding. Het diep begint bij de samenloop van het Meedendiep en het Opdiep ten noorden van het Winschoterdiep.

Buiten Oost-Groningen zal het zelfde zijn gebeurd, maar dat valt nu buiten dit bestek van het verhaal.

Op 14 juni 1628 bracht de stad Groningen, nadat de huidige Winschoterdiep tot Zuidbroek was gevorderd, een ordonnantie op de trekschuit (veerdienst) tussen Groningen en Zuidbroek en wel ten dienst van de “reysende man”.

De “Snickevaerders” moesten een eed af leggen van “vrome trekschipperen”. Zo mochten zij niet dronken zijn, geen onwelwillende taal uitslaan en niet onderling vechten en schelden op straffe van een boete.

Zo mocht onderweg geen bezoek worden gebracht aan een herberg, die vooral aanwezig waren bij de vele sluizen waar geschut moest worden. Een uitzondering hierop vormde herbergbezoek door passagiers “bij grooten nood van kolde ofte anders”. Echter als er één van de andere passagiers er op aandrong om door te varen moest hier gehoor aan worden gegeven.

De trekschuiten waren erg primitief, ook al was de slogan “als zat men tehuis”.  Bij winterdagen was er snel behoefte aan een stop voor “groote nood van kolde”, omdat men door en door verkleumd was. De trekschuit was wel overdekt, maar een roef ontbrak er. De reizende man zat als de luik gesloten was bij een walmende vetkaars in een holle ruimte zonder ventilatie. Gelukkig was roken (toen ook al) aan boord verboden, hoewel niet iedereen zich er ook aan hield.

Pas in 1782 kwam er een resolutie van de Staten dat voor de reizende man in de trekschuiten roeven worden gemaakt. In 1792 werd door Burgemeester en raad hieraan gevolge gegeven.

“Een terkschuitreis was in de winter zeker geen pretje, dat ondervonden twee dames die in 1779 meevoeren van Groningen naar Winschoten. Toen ze tegen 3 uur in de middag aankwamen in Scheemda kwamen ze tot de ontdekking dat de beide schippers Klaas Jan Kuiper en Jan Luikens niet meer aan boord waren, maar waren uitgestapt voor een bezoek aan een bruiloft en tegen twee á drie uur ‘s nachts terugkwamen. De beide vrouwen hadden wachtende en slapende de koude nacht op de trekschuit doorgebracht. Nadat de Burgemeester en Raad dit hoorden kregen de schippers een boete opgelegd vanwege plichtsverzuim. Hiermee werd aan het geschokt Rechtsgevoel van de beide vrouwen voldoening gegeven.”

Behalve vracht en personen namen de schippers op hun reis naar het buitengebied en omgekeerd ook post mee. Dit werd een stuk minder door de aanleg van de spoorlijnen vanaf medio 1860. De trekpaden langs de vaarten waren verder ook zeer goed berijdbaar voor postiljons en op de breder paden later voor de postwagens.

Vanaf de hoofdplaatsen aan een kanaal kwam de post terecht in een posthuis en later een distributiekantoor en daarna de postkantoren. Het bezorgen van de post naar de dorpen op het platteland geschiedde meestal door voetboden.

Vanaf 1850 werd de post beter georganiseerd  met postkantoren en in de dorpen hulppostkantoren.

 

Postkantoren langs de vaarten

Langs het Winschoterdiep naar Nieuweschans komen wij de volgende kantoren tegen:

  • Stad Groningen – postkantoor (1803), daarvoor posthuis met postmeester
  • Hoogezand        – bijkantoor (1810), distrib.kantoor (1811) en postkantoor (1850)
  • Zuidbroek          - bijkantoor (1810), distrib.kantoor (1811) en postkantoor (1847)
  • Scheemda         - bijkantoor (1810), distrib.kantoor (1811) en postkantoor (1879)
  • Winschoten       - bijkantoor (1810) en postkantoor (1811)
  • De Bult              - bijkantoor (1810) en distributiekantoor (1811)     
  • Nieuweschans   - distributiekantoor (1911) en hulppostkantoor (1850)

Langs het Damsterdiep van Groningen naar Delfzijl:

  •  Stad Groningen   – postkantoor (1803), daarvoor posthuis met postmeester
  • Appingedam        - distributiekantoor (1821) en postkantoor (1850)
  • Delfzijl                 - bijkantoor (1809) en postkantoor (1811)

Bronnen:  Groninger Volksalmanak 1891 en info over de kanalen uit Wikipedia